De harde 'ch' gebruik je bij de klinkers van AUtO.

De zachte 'ch' gebruik je bij de klinkers van EI.

Een auto is harder dan een ei.

LKW-Fahrer = de vrachtwagenchauffeur

Oftewel; de LijpeKoeienWager-Fahrer


Ingeborg namens Marieke en Janneke
Feesttenten
Fe haal je er van af en dan heb je de uitgangen.
(ik ga wohnen als voorbeeld gebruiken)

Ich wohnE
Du wohnST
Er wohnT
Wir wohnEN
Ihr wohnT
Sie wohnEN

De uitgangen van Duitse regelmatige werkwoorden in de tegenwoordige tijd vormen samen het woord (fe)esttenten:

(ich) wohn e

(du) wohn st

(er) wohn t   
(wir) wohn en

(ihr) wohn t 
(sie) wohn en

Max
Alle medeklinkers uit het woord Auto krijgen een ümlaut

Om te onthouden welke voorzetsels met de dativ gaan, kun je het volgende rijmpje op het deuntje van Vader Jacob zingen

Aus bei mi-it, aus bei mi-it

Von zeit zu, von zeit zu

Immer mit dem dativ, immer mit dem dativ

Gegen über nach, gegen über nach

Elise

Sommige voorzetsels hebben automatisch de vierde naamval bij zich. Deze voorzetsels zijn te onthouden met het ezelsbruggetje DOFEGUB (doof visje): 

D urch 
O hne 
F ür 
E ntlang 
G egen 
U m 
B is

Deze zin werkt ook:
De Feestelijke Ober Uit Griekenland Eet Bananen.


Vorvahren= voorouders

Diegenen die voor je waren zijn je voorouders

Daniil

Woorden die eindigen op 'skiehut' hebben het lidwoord 'die' voor het zelfstandig naamwoord:



S chaft

K eit

I on

E i

H eit
U ng

T ät

Weh

Weh = pijn

Wanneer een vrouw weeën heeft, heeft ze heel veel pijn


Fleur
Meer ezelsbruggetjes tonen