Bibere = drinken

Mijn oma bibbert als ze drinkt

Lilian

Cado = vallen

Ik val bijna over al je cadeau's

Caput = hoofd

Mijn hoofd is kapot

Niels

Circumspicere = rondkijken

Circum = rondje, circumspicere is kijken in een rondje --> rondkijken

Cito = snel

De Cito-toets op de basisschool moet je snel maken

Clam = stiekem

Als je iets stiekem doet, krijg je klamme handen


Clamor = geschreeuw

Door de claxon werd er geschreeuwd

Claris = beroemd, helder

De hemel wordt klaar, dus helder. Beroemde mensen klagen graag


eva
Cogitare = nadenken


Bij het gitaar spelen moet je nadenken. 
Arenda

Conferre = bijeenbrengen, vergelijken


Bij een conferentie komt iedereen BIJEEN om zijn mening met een ander te VERGELIJKEN

jan
Meer ezelsbruggetjes tonen