
Alle Ezelsbruggetjes
Maak je moeilijke lesstof onvergetelijk met een ezelsbruggetje. Zoek ezelsbruggetjes per vak, of leer anderen leren met jouw ezelsbruggetjes.
Het verschil tussen où en ou
Oú = waar
Ou = of
Je kunt hierbij denken aan de vraag; waar is het streepje?
Als het streepje erop staat, is het óu –> waar
hélicoptère
Een helikopter moet eerst opstijgen é (streepje omhoog) en dan dalen è (streepje omlaag)
Patient
Patiënt betekent geduldig.
Als een patient in de wachtkamer op de dokter zit te wachten moet hij heel geduldig zijn.
La randonée
La randonée betekent de excursie, de wandeling.
Tijdens je excursie of wandeling val je over de “rand o née”
Het verschil tussen peux en veux
Om het verschil hiertussen te onthouden, kun je denken aan
Peux = kunnen –> PK –> Paardenkracht
Veux = willen –> VW –> Volkswagen
La randonnée
La randonnée = trektoch
Tijdens een trektocht loop je langs een ravijn en val je over de rand, O NEE!
LE PAS. COMP. AVEC ÊTRE
Om te weten welke werkwoorden met être worden vervoegd in de passé composé moet je “MAARTEN P.R.” onthouden.
Montre <-> descendre
Arriver <-> partir
Aller <-> (re)venir
Rentre
Tomber
Entre <-> sortir
Naître <-> mourir
P.asser
R.etourner
+ les verbes pronominaux
Cuisine
Om te onthouden dat je cuisine met ‘ui’ schrijft, kun je denken aan
In de keuken snijdt je een ui
Devenir
Devenir lijkt op denver (la casa de papel) die is heel knap dus ik ga denver zijn vriendin WORDEN
devenir = worden
Le gant
Le gant betekent de handschoen. Denk hierbij aan een dame op een bal. Die draagt handschoenen en dat staat heel e-le gant.
‘avoir’ geen gevaar / ‘etre’ oplette(n)
Als in het Frans bij de voltooide tijd het hulpwerkwoord ‘avoir’ is, verandert het voltooid deelwoord niet. Bij ‘etre’ wel.
Vb:
(avoir) Elle a mangé
(être) Elle est rentrée
PANQ (bij ontkenning)
Temps composé: (de ontkenning)
PANQ=
ne Personne
ne Aucun
ne Nulle part
ne Que
Regel bij PANQ ->
onderwerp+ ne +hulpwerkwoord+voltooid deelwoord + ‘personne’
Á ce soir
Á ce soir betekent tot vanavond. Dit lijkt op accesoir, als je uitgaat draag je accesoires.
Casse-pieds
Casse-pieds = hinderlijk/lastig
Casse-pieds lijkt op kattepies, dat is ook vervelend
Être en avoir
om Être en avoir niet door elkaar te halen kan je dit gebruiken: bij avoir begint alles met een a (behalve ils sont) en avoir begint ook met een a 🙂
Het verschil tussen accent circonflexe, grave en aigu
Om het verschil tussen de accenten te onthouden, kun je denken aan het rijmpje
Accent circonflexe -> het hoedje van de heks!
Accent grave -> komt van u af!
Accent aigu-> komt naar u toe!
trap = escallier
escallier betekent trap
via de trap kan je weg en kan je ‘ontsnappen’
ontsnappen betekent escapen in het engels
dus bij escallier moet je denken aan het escapen via de trap
Quinze, seize
Na quinze (15) komt seize (16) dat kun je onthouden door te denken aan
‘Ik ken ze,’ zei ze
Woorden in de passé composé
Om de woorden die in de passé composé met être gaan, te onthouden, kun je gebruik maken van het acroniem DAMPERSVAT
D escendre
A ller
M onter
P artir
E ntrer
R ester
S ortir
V enir
R etourner
A rriver
Uitgangen tegenwoordige tijd
Om de uitgangen voor de eerste 3 vormen van de tegenwoordige tijd te onthouden, kun je denken aan
SuperSnelTrein
-s (je dors)
-s (tu dors)
-t (il dort)
Bleu of blue
Frans betekent bleu, want Frankrijk zit nog in de EU
Engels betekent blue, want Engeland zit niet meer in de EU
L’entree
L’entree betekent voorgerecht.
Als je in een restaurant bent loop je binnen in de entree het begin en voorgerecht is ook altijd begin.
