Latijn Archives - Pagina 5 van 7 - Ezelsbruggetje Spring naar content

Alle Ezelsbruggetjes

Maak je moeilijke lesstof onvergetelijk met een ezelsbruggetje. Zoek ezelsbruggetjes per vak, of leer anderen leren met jouw ezelsbruggetjes.

Tandum

Tandum = eindelijk

Eindelijk zijn mijn tanden er uit

Door nathalie

Clamor

Clamor = geschreeuw

Door de claxon werd er geschreeuwd

Door Anoniem

Mensa

Mensa = tafel

Een inmense tafel

Door Anoniem

uitgangen -are -ire -ere

ost mus tis naar toilet
(mooi nederlands:Ost moest eens naar het toilet
1ste p.enk. -o
2de p.enk. -s
3de p.enk. -t
1ste p.mv. -mus
2de p.mv. -tis
3de p.enk. -nt(nt is bij het ezelsbruggetje ‘naar toilet’
hopelijk begrijp je het ;-)Xxx

Door sula

appropiquare, naderen

het woord is zo lang, hij nadert langzaam.

Door myrthe

Voorzetsels ablativus

Pro, cum, sine, a(b), e(x), dé
Die gaan met de ablativus mee.

Door Naomi

Servat

Servat = hij beschermt, bewaart, behoudt

Een servet beschermt je tegen vieze kleren

Door Eva

Ardere

Ardere = branden

Ardeense ham wordt gebrand

Door Bab

Bracchium = arm

Ik ben zo brac dat kan ik niet betalen

Door Anoniem

Caput

Caput = hoofd

Mijn hoofd is kapot

Door Niels

Posse

Posse = kunnen

Als het kan, is het possible

Door Charlie

nihil = niets

Nihil is in het nederlands een ander woord voor ‘heel klein’. Je gebruikt vaak in de volgende zin:
‘Ik acht de kans nihil…’

Dus:

Ik acht de kans NIHIL dat je NIETS op de toets weet.

Door Jootje

Tacere

Tacere = zwijgen

Als je een taco in je mond hebt moet je zwijgen, want anders valt alles er uit

Door Timo

Conferre

Conferre = bijeenbrengen, vergelijken

Bij een conferentie komt iedereen BIJEEN om zijn mening met een ander te VERGELIJKEN

Door jan

Ducit

Ducit = leiden, brengen.

Als je iemand naar zijn plaats brengt zeg je in het Engels “Do sit” (Ga zitten)

Door Jesse

Ridere

Ridere = lachen

Ridders moeten met elkaar kunnen lachen

Door Anoniem

Relinquit

Relinquit = achterlaten

Het is zielig om je hondje vast te binden aan de reling en hem daar achter te laten

Door Liesju

Monstrare

Monstrare = laten zien

Ik zal jullie het monster laten zien

Door Charlie

Lac

Lac = melk

In melk zit lactose

Door Sam

Tendere

Tendere = uitstrekken

Als je op een tandem zit, moet je je benen uitstrekken

Door Fenna

Het verschil tussen ubi en ibi

Om het verschil tussen ubi en ibi te onthouden, kun je denken aan U Weet een I Dee

U bi = W aar
I bi = D aar

Je kunt ook denken aan Waar? Daar!
In het Latijn wordt dat 
Ubi? Ibi!

Door Floor

Bibere

Bibere = drinken

Mijn oma bibbert als ze drinkt

Door Lilian

Het verschil tussen Nominativus en Accusativus

Dit verschil kun je onthouden door te denken aan de zin
Als de SON schijnt, eten we OLA ijsjes

S ubject
O nderwerp
N ominativus

O bject
L ijdend Voorwerp
A ccusativus

Door Maud

Ablativus

De ablatieven die je moet onthouden kan je leren met de afkorting WORMT:

W ijze
O orzaak/R eden
M iddel
T ijd

Door Luca

Sceane

Sceane = toneel

Een toneelstuk heeft verschillende scenes

Door Floortje

Orant

Orant= smeken

Ik smeek jou om een Oreo-koekje

Door Judith

Cito

Cito = snel

De Cito-toets op de basisschool moet je snel maken

Door Jootje

Offerre

Offerre = aanbieden

Offerre lijkt op offeren. Als je iets offert aan de goden, dan bied je het aan

Door Anneke

Voorzetsels ablativus

Om te onthouden welke voorzetsels met de Ablativus gaan, kun je denken aan deze zin
Aan Een Sinaasappel Plakt De Citroen.

A b
E x
S ine
P ro
D e
C um

Door Iertje
Home
Alle items
Uploaden