Ezelsbruggetjes - Ezelsbruggetje Spring naar content

Alle Ezelsbruggetjes

Maak je moeilijke lesstof onvergetelijk met een ezelsbruggetje. Zoek ezelsbruggetjes per vak, of leer anderen leren met jouw ezelsbruggetjes.

De reine intervallen

Om de reine intervallen te onthouden, kun je denken aan POKK

P rime
O ctaaf
K wart
K wint

Door Petra

DNA wenteltrap

A Tegenover T (van Tegenover)

G Contra C ( van Contra)

Door Pien

Circumspicere

Circumspicere = rondkijken

Circum = rondje, circumspicere is kijken in een rondje –> rondkijken

Door Jootje

Formule voor prevalentie

Om de formule voor prevalentie te onthouden, kun je denken aan PID

P revalentie = 
I ncidentie *
D uur

Door Faym

Potamos

Potamos= rivier

Bij de rivier groeit mos

Door Anoniem

Ludo

Ludo = ik speel

Ik speel met Ludo

Door Sander

De kenmerken van non-verbale communicatie

Deze kun je onthouden met de zin
Als Emma Frietjes Heeft Rookt Robin Te Veel

A ccentuerende functie
E motionele functie
F eedbackfunctie
H erhalingsfunctie
R egulerende functie
R elationele functie

T egenstrijdige functie
V ervangingsfunctie

Door Willem

Das Angebot

das Angebot = de aanbieding

Denk maar aan het aanbod

Door Kelsayney

Saxum

Saxum = rots

Je kunt saxofoon spelen op een rots

Door Anoniem

Het verschil tussen maguis en garrigue

Maquis = zandgrond
Garrigue = kalkgrond

Dit verschil kun je onthouden door te denken aan 
Mag = Zak

Door Patrick

Some Say Money Matters

Some Say Money Matters But My Brother Said Big Boobs Matter More

Woord beginnend met S = sensorisch; woord beginnend met M = motorisch; Woord beginnend met B = Beide (Hersenzenuwen: sensorisch of motorisch).
De 12 hersenzenuwen:

n. Olfactorius – Sensorisch
n. Opticus – Sensorisch
n. Oculomotorius – Motorisch
n. Trochlearis – Motorisch
n. Trigeminus – Beide
n. Abducens – Motorisch
n. Facialis – Beide
n. Vestibulocochlearis – Sensorisch
n. Glossopharyngeus – Beide
n. Vagus – Beide
n. Accessorius – Motorisch
n. Hypoglossus – Motorisch

Door Karen

Het proces van ontkiemen

Dit proces kun je onthouden met de zin
Wat Zullen We Stelen, Bas?

W ater wordt opgenomen
Z aadhuid barst open
W ortel komt naar buiten
S tengel komt naar buiten
B laadjes komen naar buiten

Door Anoniem

bijv. naamwoorden vóór zn

Als (autre)
Ben (bon)
Jou (joli)
Niet (nouveau)
Leuk (long)
Vindt (vieux)
Gaat (gros)
Het (haute)
Met (mauvais)
Ben (beau)
Gewoon (grand)
Prima (petit)

En dan de rangtelwoorden natuurlijk!

Door Julia

Het verschil tussen geocentrisch en heliocentrisch

Om het verschil tussen geocentrisch en heliocentrisch te onthouden, kun je denken aan het Oud-Grieks

Graphos = aarde
Helios = zon

Geocentrisch wereldbeeld = de aarde is het middelpunt van het heelal
Heliocentrisch = de zon als middelpunt van het heelal

Door Sandra

Het verschil tussen midi en minuit

Om dit verschil te onthouden, kun je denken aan 
D = D en N = N

MiDi = Dag
MiNuit = Nacht

Door Anoniem

Consistere

Consistere = blijven staan

Wil jij constant blijven staan?

Door Jootje

Tafel dekken

De vork moet links omdat omdat er een “R” in zit.

Door Redmar

Uitgangen futuro

De uitgangen van de futuro komen grotendeels overeen met de uitgangen van haber, van de preterito perfecto.

Ik heb gegeten: He comido

Ik zal eten: comeré

De uitgang is dus de ‘h’ weg en een accent erop. Dit geldt voor allemaal behalve hemos en habéis, die worden respectievelijk ‘emos’ en ‘éis’.

Door Matthijs

Scheidingsmethoden

De scheidingsmethoden die je voor het examen moet weten beginnen, lopen bijna gelijk met het alfabet. Alleen de G en de H worden overgeslagen.
A-adsoberen
B-bezinken
C-centrifugeren
D-destilleren
E-extraheren
F-filtreren
I-indampen

Door Fenna

covalenties

Claire Fietst Naar Haar Oma In Breda
(Cl, F, N, H, O, I, Br)

Door silke

addere

addere = toevoegen

addere lijkt op het engelse woord “add”, dat toevoegen betekent.

Door Boaz

Cogitare

Cogitare = nadenken

Bij het gitaar spelen moet je nadenken. 

Door Arenda

Het verschil tussen omnivoor, carnivoor en herbivoor

Om dit te onthouden kun je denken aan het Latijn, waar het vandaan komt

Carne = vlees –> carnivoor = vleeseter
Herba = plant –> herbivoor = planteneten
Omni = alles –> omnivoor = alleseter

Door Lindsay

Voorzetsels ablativus

Om te onthouden welke voorzetsels met de Ablativus gaan, kun je denken aan deze zin
Aan Een Sinaasappel Plakt De Citroen.

A b
E x
S ine
P ro
D e
C um

Door Iertje

Hoofdstad Hongarije

HONG GA RIJEn, als je maar niet BOEDA PEST

Door Donder

Kwintencirkel en majeurtoonladders

Om de majeurtoonladders te onthouden van de kwintencirkel, kun je denken aan de zinnen

# –> Cees, Geef Die Apen Een Bord Fissies 
b –> Finnen Beschouwen Esten Als Deskundige Geschiedschrijvers

Door Tamara

Rusland

O msk
N ovosibirsk I rkutsk
V ladivostok

Oma Nien Is Vlaams

Door Jasmijn
Home
Alle items
Uploaden