
Alle Ezelsbruggetjes
Maak je moeilijke lesstof onvergetelijk met een ezelsbruggetje. Zoek ezelsbruggetjes per vak, of leer anderen leren met jouw ezelsbruggetjes.
LE PAS. COMP. AVEC ÊTRE
Om te weten welke werkwoorden met être worden vervoegd in de passé composé moet je “MAARTEN P.R.” onthouden.
Montre <-> descendre
Arriver <-> partir
Aller <-> (re)venir
Rentre
Tomber
Entre <-> sortir
Naître <-> mourir
P.asser
R.etourner
+ les verbes pronominaux
eau
haal jij de eau ook altijd door elkaar
ik heb er een handig trucje voor
je spreekt de eau uit als een ” o ”
en de ” o ” lijkt op een nul (0)
Net als nul
e a u
snap je hem?? 😉
Stopplaatsen van Aeneas
Om de stopplaatsen van Aeneas te onthouden, kun je denken aan de zin
Tegen De Kok Bedenken Sous-Chefs sous-chef-listen
T rakië
D elos
K reta
B uthrotum
S icilië
C arthago
S icilië
C umae
L avinium
Opmerking: hij begint uiteraard in Troje en eindigt in Latium
jou of jouw?
Als je niet weet of je ‘jou’ of ‘jouw’ moet gebruiken in een zin, maak er dan in je hoofd ‘u’ of ‘uw’ van. Dan weet je of er wel of of niet een ‘w’ achter ‘jou’ moet.
De landschapzones
Paarse Bloemen Groeien Samen Aan Tulpen
Polaire zone , Boreale zone , Gematigde zone , Subtropische zone , Aride zone , Tropisch zone
Plombier em pompier
Plombier betekent loodgieter
Pompier betekent brandweerman
Om deze uit elkaar te houden, kun je denken aan
De brandweer pompt water op vuur –> pompier
De loodgieter werkt met buizen (plumbing) –> plombier
Together
Om de juiste spelling van het woord ’together’ te onthouden, kun je gebruik maken van deze zin
To be together, first he has to get her
Dès que
Dès que = zodra
1. Zodra ik thuis ben, ga ik mijn tafel dekken.
Wordt:
2. Zodra ik thuis ben, ga ik mijn tafel dès que
obstare = in de weg staan
stare is latijn voor staan. Ob lijkt op op. Obstare kan je dus ook zien als opstaan.
Kan je opstaan? Je staat in de weg!
Kenmerken toerisme
Voor de kenmerken van toerisme waar een gebied aan moet voldoen, kun je denken aan BAKLIVC
B evolking
A ccomodatie
K limaat
L andschap
I nfrastructuur
C ultuur
Het spijsverteringskanaal
Om te onthouden welke weg je voedsel moet afleggen, kun je denken aan
Mijn Slak Moet Lekker Altijd Trakteren De Blinde Doet Eng
M ondholte
S lokdarm
M aag
L ever
A lvleesklier
T waalfvingerige darm
D unne darm
B linde darm
D ikke darm
E ndeldarm
Het verschil tussen kwalitatief en kwantitafief
Om dit verschil te onthouden, kun je denken aan
L=L en N=N
KwaLitatief –> met letters
KwaNtitatief –> met nummers
videre audire
je moet denken aan je ziet een video, videre (zien). je hoort een audio, audire (horen).
Kwartaal
Een kwartaal is 1/4 van een jaar. Om het makkelijk te onthouden kun je aan een klok denken. Eén kwartier is één kwartaal.
Import-Export
IMport lijkt op in en komt dus vanuit een ander land Nederland in
EXport is je ex en gaat dus weg.
Conflictgedrag
Bij overspronggedrag, spring je wat totaal niet bij de situatie past.
Bij amBIvalent gedrag, om de beurt 1 van de 2 (BI is 2)
Bij omgericht gedrag, richt je je ineens op iets anders (agressie is duidelijk te herkennen maar gericht op iets anders)
Eilanden van nederland
je kan alle eilanden van Nederland onthouden door het volgende ezelsbruggetje: TVTAS
T: Texel
V: Vlieland
T: Terschelling
A: Ameland
S: Schiermonnikoog
Door het gebruik van dit ezelsbruggetje staan ze direct allemaal in de goede volgorde
Groter dan(<) en kleiner dan(>)
< heb je een grote opening en dat is groter dan > heb je een puntje dan is het kleiner dan
Helicasa
Om te onthouden wat Helicase doet, kun je denken aan H = H
Helicase verbeekt H-bruggen in het DNA
Oogspieren
Om de innervatie van de oogspieren te onthouden, kun je denken aan de zin
Tot Onze Spijt Altijd Redelijk Langzaam
T rochlearis
O bliquus
S uperior
A bducens
R ectus
L ateralis
Verschil tussen kruis en mol
Een kruis staat bovenop een kerk dus die verhoogt de noot waarvoor hij staat.
Een mol zit onder de grond dus die verlaagt de noot waarvoor hij staat.
De woordvolgorde van een Engelse zin
De volgorde van een standaard Engelse zin kun je onthouden aan de hand van TOPVPT
T ijd
O nderwerp
P ersoonsvorm
V oorwerp
P laats
T ijd (Tijd kan zowel aan het begin als aan het einde van de zin).
Het verschil tussen de boomklever en de boomkruiper
Dit verschil kun je onthouden door te denken aan
L=L en R=R
De kLever = bLauw
De kRuiper = bRuin
