
Alle Ezelsbruggetjes
Maak je moeilijke lesstof onvergetelijk met een ezelsbruggetje. Zoek ezelsbruggetjes per vak, of leer anderen leren met jouw ezelsbruggetjes.
Hedonistische Calculus
Hoe onthoud je de zeven categorieën van genot in de hedonistische calculus?
In De Zee Naast Paal Z Rust
Intensiteit
Duur
Zekerheid
Nabijheid
Productiviteit
Zuiverheid
Reikwijdte
Het verschil tussen varus en valgus
Om dit verschil te onthouden, kun je denken aan R = R en L = L
vaRus = Rond
vaLgus = distaaL –> LateraaL
hogedrukgebied
denk bij hogedrukgebied aan bosbranden bij bosbranden geen regen dus bij hogedrukgebied ook geen regen
dus onthoud hb (hogedrukgebied bosbranden)
Het verschil tussen endehors en endedans
Dit verschil kun je onthouden door te denken aan
Endehors –> horse, paardrijden doe je buiten
Endedans –> dans, dansen doe je binnen
Het verschil tussen zuur en basisch
Bij de lakmoesproef kan je zien welke kleur staat voor zuur en welke voor basisch door te denken aan
R = R en B = B
Rood is zuuR
Blauw is Basisch
Het verschil tussen bleu en blue
Dit verschil kun je onthouden door te denken aan
Frans –> bleu, met EU, want Frankrijk zit nog in de EU
Engels –> blue, met UE, want Engeland zit niet meer in de EU
Woorden in de passé composé
Om de woorden die in de passé composé met être gaan, te onthouden, kun je gebruik maken van het acroniem DAMPERSVAT
D escendre
A ller
M onter
P artir
E ntrer
R ester
S ortir
V enir
R etourner
A rriver
Commissaris
Bij de commissaris zijn 2 mannen en 2 smerissen.
De 2 mannen = mm
De 2 smerrisen = ss
De reine intervallen
Om de reine intervallen te onthouden, kun je denken aan POKK
P rime
O ctaaf
K wart
K wint
ATP-moleculen
A = atoomgroep (molecuul)
T = ter bewaring (opgeslagen)
P = power (energie)
De beschikbare gekomen energie wordt tijdelijk opgeslagen in ATP-moleculen
De route van ademhalen
Niet
Met
Kleine
Saaie
Luiaards
Biologie
Leren
N eusholte
M ondholte |
K eelholte
S trottenhoofd
L uchtpijp
B ronchiën
L ongblaasjes
Uitgangen van Duitse werkwoorden (tegenwoordige tijd)
De uitgangen van Duitse regelmatige werkwoorden in de tegenwoordige tijd vormen samen het woord (fe)esttenten:
(ich) wohn e
(du) wohn st
(er) wohn t
(wir) wohn en
(ihr) wohn t
(sie) wohn en
vermogen berkenen
je onthoud de volgorde van vermogen, spanning en stroom sterkte door:
vespa sterkte
ve- VErmogen
spa- SPAnning
sterkte- stroomSTERKTE
De actiepunten bij EHBO
De tien geboden voor de eerste hulpverlening, kun je onthouden met de zin
Goh, Gisteren Scheelde Het Maar Anderhalve Actiepunt Bij de C&R
G evaar?
G etuigen?
S lachtoffer aanspreken
H ulp zoeken/roepen
M ond bekijken
A demhaling controleren
A larm slaan
B eadem tweemaal
C irculatie controleren
R eanimeren
Malle
Als je iets liever wilt zeg je vaak MAAR… ik wil liever.
Volle = willen
Maar + volle =malle
zwobbels!
de koppelwerkwoorden:
– Zijn
– Worden
O
– Blijven
– Blijken
E
– Lijken
– Schijnen
Het verschil tussen genotype en fenotype
Dit verschil kun je onthouden door te denken aan
Genotype –> verandert niet, het zijn je genen
Fenotype –> verandert wel, het is je uiterlijk
Werkwoorden
Als je moeite hebt met de ww, onthoud dan dat het helemaal niet zo moeilijk is! Bij een e komt er altijd s achter en bij een y wordt de y vervangen door ie+s.
Vetus
Vetus = oud
Denk bijvoorbeeld aan een oorlogsveteraan. Dat is vaak een oud persoon.
Eenheid van versnelling
versnelling a in m/s^2
“een a-tje met een kwadraatje”.
tijd dus in het kwadraat.
