
Alle Ezelsbruggetjes
Maak je moeilijke lesstof onvergetelijk met een ezelsbruggetje. Zoek ezelsbruggetjes per vak, of leer anderen leren met jouw ezelsbruggetjes.
Present en Past Perfect
De voorzetsels die met de Present Perfect gaan, kun je onthouden door te denken aan
FYNE JAS
F or
Y et
N ever
E ver
J ust
A lready
S ince
De voorzetsels die met de Past Simple gaan, kun je onthouden door te denken aan
LADY
L ast
A go
D atum
Y esterday
Het verschil tussen spoel en capaciteit
Om het verschil tussen de spoel en de capaciteit te onthouden, kun je denken aan het acroniem
LEI CIE
L Spoel
E Spanning eerst dan
I Stroom
C apaciteiet
I Stroom eerst dan
E Spanning
Uitgangen van Duitse werkwoorden (tegenwoordige tijd)
De uitgangen van Duitse regelmatige werkwoorden in de tegenwoordige tijd vormen samen het woord (fe)esttenten:
(ich) wohn e
(du) wohn st
(er) wohn t
(wir) wohn en
(ihr) wohn t
(sie) wohn en
De snaren van een cello
Om te weten wat voor snaren een cello heeft
Achter De Grote Cello
A -snaar
D -snaar
G -snaar
C -snaar
De actiepunten bij EHBO
De tien geboden voor de eerste hulpverlening, kun je onthouden met de zin
Goh, Gisteren Scheelde Het Maar Anderhalve Actiepunt Bij de C&R
G evaar?
G etuigen?
S lachtoffer aanspreken
H ulp zoeken/roepen
M ond bekijken
A demhaling controleren
A larm slaan
B eadem tweemaal
C irculatie controleren
R eanimeren
Het verschil tussen endehors en endedans
Dit verschil kun je onthouden door te denken aan
Endehors –> horse, paardrijden doe je buiten
Endedans –> dans, dansen doe je binnen
Ordening dieren (organisatieniveau)
Die (domein)
Rijke (rijk)
Stinkerds (stam)
Kunnen (klasse)
Overal (orde)
Fijne (familie)
Gebakjes (geslacht)
Stoppen (soort)
De voorzetsels bij Der
De voorzetsels die met Der samengaan, kun je onthouden door het acroniem DJ WAMS
D ies –> deze
J ed –> iedere, menig
W elch –> welke
A ll –> alle(s), iedereen
M anch –> sommige, menig
S olch –> zulke
De Tijdvakken
De tijdvakken kun je onthouden met de zin
Je Gaat Maar Snel Op Ramen Poepen Bij Witte Tantes
J agers en Boeren
G rieken en Romeinen
M onikken en Ridders
S teden en Staten
O ntdekkers en Hervormers
R egenten en Vorsten
P ruiken en Revoluties
B urgers en Stoommachines
W ereldoorlogen
T v en Computers
ITCZ – hoge en lage luchtdruk
Hoog is droog.
In het hogedrukgebied is het droog en valt er weinig neerslag. In het lagedrukgebied valt er veel neerslag.
Tip: het ezelsbruggetje is om te onthouden. Schrijf op je toets niet: In het hogedrukgebied is het droog. Maar leg het proces uit!!
De snaren van een viool
De snaren kun je onthouden met de zin
Elke Aap Doet Gek
E – A – D – G
Present simple
De present simple komt voor bij gewoonte regelmatig en feit. Dit kun je onthouden door GiRaF en de signaal woorden kun je onthouden met SNORFEUS:
S ometimes
N ever
O ften
R egularly
E very
U sually
S eldom
Fasering projectmanagement
Initiatief, Definitie, Ontwerp, Voorbereiding, Realisatie, Nazorg.
IDOVRN
Ik Deel Onze Verse Rookworst Niet
Scrijf/ tekstdoelen
Isa (informeren)
Blijft (beschouwen)
Achteraf (activeren)
Ook (overtuigen)
Achter (amuseren)
in
Utrecht (uiteenzetten)
Het verschil tussen xyleem en floëem
Om te onthouden hoe water wordt getransporteerd door de vaten van een plant, kun je denken aan K-klank = K en F = F-klank
Xyleem (de houtvaten) = water door deze vaten moet omhoog Klimmen
Floëem (de bastvaten) = water Vloeit door deze vaten heen
Appropriate
Appropriate = passend/gepast
Als je dit woord niet kan onthouden, denk dan aan appel – piraat (appropriate), een appel past wel in een piraat, maar een piraat niet in een appel. Passend dus.
De IJstijden
Om de volgorde van de ijstijden te onthouden, kun je denken aan het acroniem WESHP
W eichselien –> Geen ijstijd
E emien –> IJstijd
S aalien –> Geen ijStijd
H olosteinien –> IJstijd
H oloceen –> Geen ijstijd
P leistoceen –> IJstijd
Être en avoir
om Être en avoir niet door elkaar te halen kan je dit gebruiken: bij avoir begint alles met een a (behalve ils sont) en avoir begint ook met een a 🙂
Lagen van de opperhuid
Deze kun je onthouden met de zin
Bas Steekt Kor Door Hoofd
B asaalcellenlaag
S tekelcellenlaag
K orrellaag
D oorschijnende laag
H oornlaag
